![]() ![]() ![]() ![]() |
|||
|
|
|||
|
Nederlands || Het Turks is in Turkije de enige nationale taal en wordt daar gesproken door ca. 90% van de bevolking, dwz. 50 miljoen personen. Turkse talen, groep van onderling nauw verwante talen, die oorspronkelijk alleen in Centraal-Azië voorkwam, maar zich gedurende de middeleeuwen naar Voor-Azië en Oost-Europa heeft uitgebreid. Samen met de Mongoolse en Toengoezische talen wordt zij ingedeeld bij de familie van de Altaïsche talen, hoewel de historische verwantschap van deze drie taalgroepen niet is bewezen. De oudste teksten in het Turks zijn de zgn. Orchoninscripties, die dateren uit de 8ste eeuw n.C. Sinds de 11de eeuw zijn de meeste Turken onder invloed van de islam gekomen; de uitwerking hiervan op de taal is, behalve het gebruik van het Arabische schrift, vooral het binnendringen van talrijke Arabische en Perzische leenwoorden geweest. Het Oost-Turkse Tsajgataïsch en het West-Turkse Osmaans ontwikkelden zich in de islamitische periode tot belangrijke cultuurtalen. Na de Eerste Wereldoorlog zijn de meeste Turkse volken overgegaan tot het Latijnse (in Turkije) of het cyrillische (in de voormalige Sovjet-Unie) schrift. In Turkije werd in 1928 een Latijns alfabet van 29 letters ingevoerd. Voor sommige klanken werden bijzondere diacritische tekens gekozen. Zo kent het Turkse alfabet naast de u (= Ned. oe) en o de ü en ö met dezelfde klankwaarde als in het Duits, en naast de i een i (zonder punt) voor een klinker die overeenkomt met de Nederlandse stomme e. Specifieke tekens voor medeklinkers hebben de ç (= tsj), s (= sj) en g, die de voorgaande klinker verlengt. Waarden die afwijken van het Nederlandse gebruik, hebben de Turkse c (= dzj), j (= zj) en y (= j). De schrifthervorming in Turkije bracht ook een intensieve campagne op gang voor de vervanging van de talrijke leenwoorden uit het Arabisch en het Perzisch door woorden van zuiver Turkse herkomst. De huidige Turkse talen omvatten de volgende groepen: a. het Zuidwestelijke Turks of Ogoezisch, waartoe het Turks van Turkije, het Azeri (Azerbajdzjaans), de Turkse dialecten van Iran en het Toerkmeens behoren; b. het Noordwestelijke Turks, met o.m. het Kirgizisch en de taal van de Kazachen; c. het Oost-Turks, met als voornaamste talen het Oezbeeks en het Nieuw-Oejgoers in het westen van China (vnl. Xinjiang Uygur); d. een groep kleine talen in Zuid-Siberië; e. het Jakoetisch; f. het Tsjoevasjisch in Oost-Rusland. De laatste twee talen verschillen sterk van de overige. Voor de woordvorming en de aanduiding van grammaticale functies beschikt het Turks over een groot aantal achtervoegsels, die aan overwegend éénlettergrepige stammen worden gehecht. De eenheid van het woord wordt gekenmerkt door de vocaalharmonie, dwz.: afhankelijk van de stamklinker zijn alle volgende klinkers hetzij vóór-, hetzij achterklinkers (palatale vocaalharmonie), resp. geronde of niet-geronde klinkers (labiale vocaalharmonie). De syntaxis kent vrijwel geen bijzinnen; in de plaats daarvan worden constructies met tegenwoordige deelwoorden en andere nominale werkwoordsvormen toegepast. Klik hier om terug te gaan naar de Turkse pagina.
| |||